keil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een ronde en een gewone keil [1]
Kegels [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • keil
Woordherkomst en -opbouw
  • Herkomst: Bargoens (bijvoeglijk naamwoord) [1]
  • Duits leenwoord (zelfstandig naamwoord)

Bijvoeglijk naamwoord

keil

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) dronken
enkelvoud meervoud
naamwoord keil keilen
verkleinwoord keiltje keiltjes

Zelfstandig naamwoord

keil m

  1. (techniek) een blok met één schuine kant, waarmee men iets kan vastklemmen of het wegrollen van bijv. een wiel kan verhinderen
    • Een keg, spie of wig, wordt maar zelden een keil genoemd. 
  2. (sport), (verouderd) een oude benaming voor de kegel van de kegel- en bowlingbaan
  3. (verouderd) een plat (kiezel-) steentje
    • De keil moet laag over het water scheren, hij zal dan enkele keren uit het water springen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
keilen

keil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keilen
    • Ik keil. 
  2. gebiedende wijs van keilen
    • Keil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keilen
    • Keil je? 

Gangbaarheid

Verwijzingen