klem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klem
enkelvoud meervoud
naamwoord klem klemmen
verkleinwoord klemmetje klemmetjes

Zelfstandig naamwoord

klem v/m

  1. (gereedschap) een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
    • Als je de twee gelijmde stukken een nachtje in de klem zet, komen ze goed vast te zitten. 
Uitdrukkingen en gezegden

Klem zetten.

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klemmen

klem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klemmen
    • Ik klem. 
  2. gebiedende wijs van klemmen
    • Klem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klemmen
    • Klem je? 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • klem
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   klem     klemmen     klemmer     klemmene  
genitief   klems     klemmens     klemmers     klemmenes  

Zelfstandig naamwoord

klem, m

  1. omarming, omhelzing
Afgeleide begrippen




Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • klem
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   klem     klemmen     klemmer     klemmene  

Zelfstandig naamwoord

klem, m

  1. omarming, omhelzing
Afgeleide begrippen