bowling

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

bowlingbaan
Polygoonjournaal uit 1961. Bowlingwedstrijd Breda.
Uitspraak
Woordafbreking
  • bow·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord bowling bowlings
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bowling v/m

  1. (sport) een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
    • Ken Bone groeit op in een uiterst conservatief gezin in Granite City, een stadje in het hart van het Midwesten draaiend op de plaatselijke staalfabriek. Een paar dagen voor hij 20 wordt, durft hij af te stappen op Heather, het meisje achter de bar van de bowling waar hij een bijbaantje heeft. Binnen een paar maanden zijn ze verloofd, en een lente later blijkt Heather zwanger. Zoon Logan wordt in oktober 2003 geboren.[1] 
    • Door een grote brand die vrijdagavond ontstond is partycentrum Dolfijn Bowling in Tilburg volledig verwoest. Alle bezoekers konden op tijd naar buiten komen, twee bezoekers werden onwel door ingeademde rook, en twee brandweermannen raakten lichtgewond tijdens hun bluswerkzaamheden, meldt de politie.[2]  
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Peter Zantingh 14 februari 2017
  2. NRC Joram Bolle 26 maart 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be