kegel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ke·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘conus’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kegel kegels
verkleinwoord kegeltje kegeltjes

Zelfstandig naamwoord

kegel m

  1. (wiskunde) een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
  2. de flesvormige houten stukken van het kegelspel
  3. (biologie) elk van de kleurgevoelige zintuigcellen in het netvlies van het oog
  4. (informeel) naar alcohol stinkende adem
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kegelen

kegel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kegelen
    • Ik kegel. 
  2. gebiedende wijs van kegelen
    • Kegel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kegelen
    • Kegel je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen