keilen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

keilderen: ketsen
Uitspraak
Woordafbreking
  • kei·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘langs het wateroppervlak werpen’ voor het eerst aangetroffen in 1406 [1]
  • van het Middelnederlands keylen "een werpspel"
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
keilen
keilde
gekeild
zwak -d volledig

Werkwoord

keilen

  1. (sport) inergatief ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
    • De jongens vermaakten zich door met steentjes over de vijver te keilen. 
  2. overgankelijk gooien, smijten
    • Woedend keilde hij zijn leerboeken uit het raam. 
  3. overgankelijk (figuurlijk) snel in grote hoeveelheid drinken
    • Bij het achterover keilen van een biertje moet het hoofd even in de nek geworpen worden. [2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

keilen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord keil

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen