crochet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[1] crochet
[2] crochet
Uitspraak
Woordafbreking
  • cro·chet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord crochet
verkleinwoord crochetje crochetjes

Zelfstandig naamwoord

crochet o

  1. haakwerk
  2. haaknaald
Vertalingen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  crochet     le crochet     crochets     les crochets  

Zelfstandig naamwoord

crochet m

  1. haak
  2. haaknaald
  3. haaksleutel
  4. bocht [1], kromming
  5. (tandheelkunde) pijlklammer
  6. (dierkunde) gebogen lichaamsdeel (van insecten e.d.)