crochet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[1] crochet
[2] crochet
Uitspraak
Woordafbreking
  • cro·chet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord crochet
verkleinwoord crochetje crochetjes

Zelfstandig naamwoord

crochet o

  1. haakwerk
  2. haaknaald
Vertalingen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  crochet     le crochet     crochets     les crochets  

Zelfstandig naamwoord

crochet m

  1. haak
  2. haaknaald
  3. haaksleutel
  4. bocht [1], kromming
  5. (tandheelkunde) pijlklammer
  6. (dierkunde) gebogen lichaamsdeel (van insecten e.d.)