haken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van haak met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haken
haakte
gehaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

haken [1] [2] [3]

  1. onovergankelijk met een haak vastzitten
  2. onovergankelijk vast blijven hangen onder vorming van een haak (lus)
    • mijn jas bleef aan de deur haken 
  3. overgankelijk (met een haaknaald) een weefsel maken door het aanbrengen van lussen [4]
  4. overgankelijk bevestigen d.m.v. een haak [5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

haken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen