haken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van haak met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haken
haakte
gehaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

haken [1] [2] [3]

  1. (onovergankelijk) met een haak vastzitten
  2. (onovergankelijk) vast blijven hangen onder vorming van een haak (lus)
    mijn jas bleef aan de deur haken
  3. (overgankelijk) (met een haaknaald) een weefsel maken door het aanbrengen van lussen [4]
    Oma was een expert in haken, breien en borduren
  4. (overgankelijk) bevestigen d.m.v. een haak [5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

haken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haak
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
  5. Woordenboek der Nederlandse taal