Naar inhoud springen

focus

Uit WikiWoordenboek
  • fo·cus
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘brandpunt’ voor het eerst aangetroffen in 1778 [1]
  • van Latijn focus "haard"
enkelvoud meervoud
naamwoord focus focussen
verkleinwoord focusje focusjes

defocusm

  1. brandpunt, punt waarop de meeste aandacht is gericht
    • Op school ligt de focus op taal en rekenen. 
     Omdat het tijdschrift een medische focus had en er meer belangstelling en abonnees moesten komen, besloot Bernays het controversiële toneelstuk Damaged Goodsvan toneelschrijver Eugène Brieux te promoten.[2]
     In het normale dagelijkse leven lag zijn eerste focus zonder enige twijfel bij Piet.[3]
  2. (natuurkunde) een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen van een optisch element samenkomen
    • Het focus van de kristalmonochromator van een Guiniercamera is een lijn. 
  3. (medisch) ontstekingshaard
vervoeging van
focussen

focus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van focussen
    • Ik focus. 
  2. gebiedende wijs van focussen
    • Focus! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van focussen
    • Focus je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  • IPA: /ˈfo.kus/, /ˈfɔ.kus/

focus m

  1. haard
  2. (Volkslatijn) vuur