focus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fo·cus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord focus focussen
verkleinwoord focusje focusjes

Zelfstandig naamwoord

focus o

  1. brandpunt, punt waarop de meeste aandacht is gericht
    • Op school ligt de focus op taal en rekenen. 
  2. (natuurkunde) een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen van een optisch element samenkomen
    • Het focus van de kristalmonochromator van een Guiniercamera is een lijn. 
  3. (medisch) ontstekingshaard
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
focussen

focus

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van focussen
    • Ik focus. 
  2. gebiedende wijs van focussen
    • Focus! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van focussen
    • Focus je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Latijn

Zelfstandig naamwoord

focus m

  1. haard
Verbuiging
Overerving en ontlening