focussen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fo·cus·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘in het brandpunt plaatsen’ voor het eerst aangetroffen in 1959 [1]
  • afgeleid van focus met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
focussen
focuste
gefocust
zwak -t volledig

Werkwoord

focussen

  1. overgankelijk richten op één punt, concentreren
    • Hij probeerde zijn ogen op hem te focussen, maar hij stond te dichtbij, het bleven twee dezelfde schrijvers die weigerden in elkaar te vloeien. [2]
  2. onovergankelijk de aandacht richten
    • We zullen met name focussen op woordinterne combinaties van tweeklanken gevolgd door r, (…) [3]
  3. wederkerend zich ~ op de aandacht helemaal richten op
    • Mijn lippen stijf op elkaar houdend, hoopte ik dat zij zich zo goed genoeg kon focussen op het kleine beetje haar net boven mijn oor. [4]

Zelfstandig naamwoord

focussen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord focus

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen