haard

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haard
enkelvoud meervoud
naamwoord haard haarden
verkleinwoord haardje haardjes

Zelfstandig naamwoord

haard m

  1. een plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden [1]
    • Hij warmde zijn koude handen bij de haard. 
  2. een plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt, een focus
    • De haard van deze aardbeving bevond zich recht onder die stad. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord haard haarde

Zelfstandig naamwoord

haard

  1. haard