Naar inhoud springen

haard

Uit WikiWoordenboek
  • haard
enkelvoud meervoud
naamwoord haard haarden
verkleinwoord haardje haardjes

dehaardm

  1. (wonen) plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden [2]
    • Hij warmde zijn koude handen bij de haard. 
     De haard is aangestoken en het vuur brandt fel en verkwikkend op de haardijzers.[4]
     Hebt u het portret gezien boven de haard? U herkent zonder twijfel de markante en nobele trekken van Niccoló Paganini. Ik zal de eerste zijn om uw gelijk te beamen wanneer u zegt dat het in schilderkundig opzicht geen meesterwerk betreft. Het is gemaakt door een brave, mindere meester, die er zelfs in zijn tijd niet om bekendstond dat hij zijn tijd vooruit was.[5]
  2. (figuurlijk) plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt
    • De haard van deze aardbeving bevond zich recht onder die stad. 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. 1 2 haard (stookplaats) op website: Etymologiebank.nl Citefout: Ongeldig label <ref>; de naam "qhaard1" wordt meerdere keren met andere inhoud gedefinieerd.
  3. "haard" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  4. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  5. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 15
  6. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “De tweede doodzonde” (2020), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044645149
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
naamwoord haard haarde

haard

  1. haard