fokus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • fo·kus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn.

Zelfstandig naamwoord

fokus o

  1. middelpunt, focus, centrum
  2. richtpunt, bedoeling
  3. (natuurkunde) brandpunt, focus
  4. (medisch) uitgangspunt voor ontsteking.
  5. (seismologie) aardbevingshaard, hypocentrum
  6. (taalkunde) deel van de taalkundige bericht dat de zender ziet als belangrijk.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fokus     fokuset     fokus,
fokuser  
  fokusa,
fokusene  
genitief   fokus'     fokusets     fokus',
fokusers  
  fokusas,
fokusenes  



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • fo·kus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn.

Zelfstandig naamwoord

fokus o

  1. middelpunt, focus, centrum
  2. richtpunt, bedoeling
  3. (natuurkunde) brandpunt, focus
  4. (medisch) uitgangspunt voor ontsteking.
  5. (seismologie) aardbevingshaard, hypocentrum
  6. (taalkunde) deel van de taalkundige bericht dat de zender ziet als belangrijk.
Verbuiging
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fokus     fokuset     fokus     fokusa  
genitief                
bijvormen enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief               fokusi  
genitief