fitheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de fitheid van deze man is uitstekend
Uitspraak
Woordafbreking
  • fit·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van fit met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord fitheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fitheid v

  1. de lichamelijke en geestelijke conditie van iemand
    • De zieke man moest hard werken aan zijn fitheid om de operatie te kunnen doorstaan. 
    • Voor een 31-jarige verdediger was Boulahrouz met een salaris van 118.070 euro per maand niet goedkoop, maar Sporting had alle vertrouwen in zijn fitheid. Boulahrouz wordt “nog steeds regelmatig opgeroepen voor het Nederlands elftal”, juichte de club. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 7 december 2016