toeval

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·val
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onvoorzien geval’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • samenstelling van  toe   en  val   , (stam van het werkwoord vallen) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord toeval toevallen
verkleinwoord (toevalletje) (toevalletjes)

Zelfstandig naamwoord

toeval

  1. o: een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
  2. m/o: (medisch) een aanval van epilepsie
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
toevallen

toeval

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toevallen
    • ... dat ik toeval. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie