monteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mon·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Franse monter met het achtervoegsel -eren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
monteren
monteerde
gemonteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

monteren overgankelijk [1]

  1. de juiste beelden achter elkaar zetten
    • Ze waren bezig om de film te monteren. 
  2. ergens aan vastmaken
    • Je moet eerst het groene plaatje monteren. 
  3. uit losse (onder)delen in elkaar zetten
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal