fitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: vitten
Uitspraak
Woordafbreking
  • fit·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘pasklaar maken (van buizen)’ voor het eerst aangetroffen in 1898 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fitten
fitte
gefit
zwak -t volledig

Werkwoord

fitten overgankelijk [3]

  1. (techniek) in elkaar passen, pasklaar maken
  2. (techniek) door omvatting met een fithaak meten
  3. (techniek) de diepte van boorgaten meten
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

fitten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fit

Werkwoord

vervoeging van
fitten

fitten

  1. meervoud verleden tijd van fitten
    • Wij fitten. 
    • Jullie fitten. 
    • Zij fitten. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen