data

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum

Zelfstandig naamwoord

data mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord datum
  2. (informatica) gegevens, informatie
    • Nadat hij alle data in de computer had ingevoerd kon hij beginnen met de statistische verwerking daarvan. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.


Engels

Zelfstandig naamwoord

data

  1. gegevens


Minangkabaus

Bijvoeglijk naamwoord

data

  1. plat
Overerving en ontlening


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum
Naar frequentie 1678
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   data     m: dataen
o: dataet  
  data     dataene  
genitief   datas     m: dataens
o: dataets  
  datas     dataenes  

Zelfstandig naamwoord

data m / o

  1. data, gegevens, personalia
  2. (informatica) data
  3. (afkorting), (verkorting) afkorting voor datateknologi
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: statistiske data
statistische gegevens

Zelfstandig naamwoord

data, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van [[#Noors|]]


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   data     dataet     data     dataa  

Zelfstandig naamwoord

data o

  1. (informatica) data, gegevens, personalia
  2. (informatica) data
  3. (afkorting), (verkorting) afkorting voor datateknologi
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: tekniske data
technische gegevens

Zelfstandig naamwoord

data

  1. verouderde spelling of vorm van dataa van vóór 2012
(verouderd) bepaalde vorm nominatief meervoud van data, o


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
datar

data

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar