data

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum

Zelfstandig naamwoord

data mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord datum
  2. (informatica) gegevens, informatie
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Engels

Zelfstandig naamwoord

data

  1. gegevens


Minangkabaus

Bijvoeglijk naamwoord

data

  1. plat
Overerving en ontlening


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum
Naar frequentie 1678
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   data     m: dataen
o: dataet  
  data     dataene  
genitief   datas     m: dataens
o: dataets  
  datas     dataenes  

Zelfstandig naamwoord

data m / o

  1. data, gegevens, personalia
  2. (informatica) data
  3. (afkorting), (verkorting) afkorting voor datateknologi
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: statistiske data
statistische gegevens

Zelfstandig naamwoord

data, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van [[#Noors|]]


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ta
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Latijn, meervoud van datum
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   data     dataet     data     dataa  

Zelfstandig naamwoord

data o

  1. (informatica) data, gegevens, personalia
  2. (informatica) data
  3. (afkorting), (verkorting) afkorting voor datateknologi
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: tekniske data
technische gegevens

Zelfstandig naamwoord

data
  1. verouderde spelling of vorm van dataa van vóór 2012
(verouderd) bepaalde vorm nominatief meervoud van data, o


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
datar

data

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar