commanderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

commanderende officier
Uitspraak
Woordafbreking
  • com·man·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
commanderen
commandeerde
gecommandeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

commanderen (overgankelijk) [2]

  1. het bevel voeren over, door middel van korte krachtige opdrachten geven
    Als het erop aankomt, heeft Dafne het laatste woord. Ik heb in het eerste jaar van onze samenwerking al geleerd dat ik haar niet kan commanderen. Dat werkt niet bij Dafne. Ze geeft het ook aan als ik te dicht op haar huid zit, dat ze dingen zelf wil doen. Dat ze dat zelf in kan schatten, is iets van de laatste anderhalf jaar. In het begin hadden we veel meer een afhankelijkheidsrelatie. Ze is inmiddels zelfstandiger. Ik vind dat niet moeilijk. Een coach hoort op den duur steeds meer een adviseur te worden. En Dafne is net als ik een control freak, zelfkritisch. Dat schept vertrouwen.”[3]
Synoniemen
  1. bevelen, gebieden, de les lezen, koeioneren, verordenen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Dennis Meinema 21 mei 2016