collega

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

samenwerking tussen Nederlandse en Duitse politiecollega's
Uitspraak
Woordafbreking
  • col·le·ga
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord collega collega's
collegae
verkleinwoord collegaatje collegaatjes

Zelfstandig naamwoord

collega m

  1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt.
    - Samen met mij werden er nog zes andere collega's ontslagen.
    - Een op de drie werknemers heeft wel eens iets met een collega gehad, blijkt uit een onderzoek dat vacaturewebsite jobbird.com vorig jaar hield onder vijfhonderd respondenten. Volgens de enquête die uitzendbureau Unique elk jaar rond Valentijnsdag houdt, heeft zelfs tweederde van de werknemers wel eens wat met elkaar uitgespookt.[2]
  2. een vak- of ambtgenoot.
    - Een op de drie zorgverleners die een collega ziet disfunctioneren, doet daar niets aan. Zelfs als het welzijn van de patiënt in het geding is, trekt een deel van de artsen niet aan de bel. Dat blijkt uit een onderzoek van het Nijmeegse Radboudumc, zo meldt Trouw.[3]
    - Wetenschappers feliciteerden hun collega met zijn uitvinding.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. NRC Caroline van Keeken 21 juni 2016
  3. NRC Carlijn Vis 15 februari 2016

Meer informatie


Latijn


Woordafbreking
  • col·le·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het fictieve *collegere met het achtervoegsel -a. Dit is weer gevormd uit legĕre (verzamelen) met het voorvoegsel com-.

Zelfstandig naamwoord

collēga m

  1. ambtgenoot
  2. kameraad, helper, deelgenoot
Verwante begrippen