deelgenoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deel·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deelgenoot deelgenoten
verkleinwoord deelgenootje deelgenootjes

Zelfstandig naamwoord

deelgenoot m

  1. iemand die ergens (geld, zaken, kennis) in meedeelt
    • Hij is deelgenoot in deze firma. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand deelgenoot maken van iets
iemand ergens over informeren dat niet algemeen bekend is
Ik maakte hem deelgenoot van mijn plannen.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be