helper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hel·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord helper helpers
verkleinwoord helpertje helpertjes

Zelfstandig naamwoord

helper m

  1. assistent, adjudant, collega, hulpverlener
    Een helper is bij veel taken handig want soms kom je een handje tekort om iets vast te houden.
    In een winkel werken vaak vrouw en kinderen mee als onbetaalde helpers
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen