bocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bocht
Woordherkomst en -opbouw
1 & 2 enkelvoud meervoud
naamwoord bocht bochten
verkleinwoord bochtje bochtjes
3 enkelvoud meervoud
naamwoord bocht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bocht

  1. v/m (verkeer) van richting veranderende, gebogen weg of pad, kromming
    • Hij ging veel te snel door de bocht. 
     Zijn er dan toch grenzen aan het sadisme? Wie het haalt tot de laatste bocht naar links, weet het antwoord.[4]
  2. v/m een brede baai aan de kustlijn
    • De Australische Bocht. 
  3. o; (drinken), (informeel) (m.n. alcoholische) drank of andere substantie van slechte kwaliteit
    • Dat brouwsel is echt bocht. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • je in allerlei bochten wringen
op een erg ingewikkelde, moeilijke manier je doel bereiken
  • te kort door de bocht gaan
veel te snel en makkelijk tot een conclusie komen (die dan ook fout is)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Iers

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

bocht

  1. arm
Verbuiging