bocht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bocht
Woordherkomst en -opbouw
  1. Naamwoord van handeling van buigen (met het achtervoegsel -t).
  2. Idem.
  3. Van Middelnederlands becht, bacht drek.
1 & 2 enkelvoud meervoud
naamwoord bocht bochten
verkleinwoord bochtje bochtjes
3 enkelvoud meervoud
naamwoord bocht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bocht

  1. v/m van richting veranderende, gebogen weg of pad, kromming
    Hij ging veel te snel door de bocht.
    Dit lijkt te kort door de bocht.
  2. v/m een brede baai aan de kustlijn
    De Australische Bocht.
  3. o; drank of substantie van slechte kwaliteit
    Dat brouwsel is echt bocht.
Vertalingen


Iers

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

bocht

  1. arm
Verbuiging