bitter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bit·ter
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bitter bitterder bitterst
verbogen bittere bitterdere bitterste
partitief bitters bitterders -

Bijvoeglijk naamwoord

bitter

  1. ter omschrijving van een vaak als onaangenaam ervaren smaak niet zout zuur of zoet
    • Dat was een vieze, bittere drank. 
  2. zwaar te verduren
    • In dat land is er nog steeds bittere armoede. 
  3. van teleurstelling blijk gevend waardoor ook boos
    • Hij sprak mij aan met een bittere toon. 
    • Ik ben bitter in je teleurgesteld. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1 enkelvoud meervoud
naamwoord bitter bitters
verkleinwoord bittertje bittertjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord bitter -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bitter

  1. m en o een bepaald soort sterke drank
    • Lust je een bittertje? 
  2. m een meststof verkregen uit roet
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bitteren

bitter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitteren
    • Ik bitter. 
  2. gebiedende wijs van bitteren
    • Bitter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitteren
    • Bitter je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈbɪtɐ/
Woordafbreking
  • bit·ter
stellend vergrotend overtreffend
bitter
bitterer
am bittersten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

bitter

  1. bitter


Engels

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
bitter more bitter most bitter

Bijvoeglijk naamwoord

bitter

  1. bitter