bezoek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoek
enkelvoud meervoud
naamwoord bezoek bezoeken
verkleinwoord bezoekje bezoekjes

Zelfstandig naamwoord

bezoek o

  1. het bezoeken, de visite
    Zij gingen even een bezoek afleggen.
    Het bezoek aan het museum was zeer de moeite waard.
  2. de personen die op visite zijn of komen, de verzamelde bezoekers
    Ik kreeg zeer veel bezoek op mijn verjaardag.
    De museumdirecteur was heel blij met het vele bezoek dat de tentoonstelling mocht ontvangen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bezoeken

bezoek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezoeken
    Ik bezoek.
  2. gebiedende wijs van bezoeken
    Bezoek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezoeken
    Bezoek je?