bezoeker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoe·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezoeker bezoekers
verkleinwoord bezoekertje bezoekertjes

Zelfstandig naamwoord

bezoeker m

  1. een persoon die iemand of iets bezoekt
    • De nieuwe website heeft gemiddeld 1400 bezoeker per maand. 
     Het personeel stelde het op prijs als bezoekers voor dit tijdstip hun neus niet lieten zien.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be