bezoeken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoe·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezoeken
bezocht
bezocht
zwak -cht volledig

Werkwoord

bezoeken

  1. overgankelijk bij iets ofiemand langsgaan of langskomen
    • De jongens wilden hun oma bezoeken. 
     La Pyramide was het eerste driesterrenrestaurant in de Michelingids, bezocht door Hollywoodsterren als Rita Hayworth en Clark Gable.[1]
  2. overgankelijk, (verouderd) iemand kwellen
    • Hij werd bezocht door zware hoofdpijnen. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

bezoeken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bezoek

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant