bezoeken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoe·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezoeken
bezocht
bezocht
zwak -cht volledig

Werkwoord

bezoeken

  1. overgankelijk bij iets of iemand langsgaan of langskomen
    • De jongens wilden hun oma bezoeken. 
     La Pyramide was het eerste driesterrenrestaurant in de Michelingids, bezocht door Hollywoodsterren als Rita Hayworth en Clark Gable.[1]
     Als ik vroeger naar een nieuwe plaats verhuisde, bezocht ik steevast alle kerken van de stad.[2]
  2. overgankelijk, (verouderd) iemand kwellen
    • Hij werd bezocht door zware hoofdpijnen. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

bezoeken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bezoek

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be