bezoekuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoek·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezoekuur bezoekuren
verkleinwoord bezoekuurtje bezoekuurtjes

Zelfstandig naamwoord

bezoekuur o

  1. Vooraf bepaalde periode waarin bezoek mogelijk is in een instelling.


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie