dwarsbeuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Positionering van de dwarsbeuk in een kerk
Uitspraak
Woordafbreking
  • dwars·beuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dwarsbeuk dwarsbeuken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dwarsbeuk v/m [1]

  1. (bouwkunde) (religie) deel van een kerk tussen het koor en het schip dat dwars op de lengteas staat
    • Van de nachtzijde komt een zacht geklepper dat klinkt als een dialoog, en uit het donker verschijnt een ooievaar die met snelle vleugelslag om het gebouw vliegt, op weg naar de zuidelijke dwarsbeuk. [2] 
    • Beetje populair en gemakkelijk boek qua opzet, maar voor de liefhebber van torenspitsen, lancetbogen en dwarsbeuken lang niet onaardig. Het biedt een overzicht van zo'n `hundred jewels of European architecture', met het accent op kathedralen in Italië, Frankrijk en Spanje. Nederland wordt vertegenwoordigd door de Utrechtse Dom en de St. Jan in Den Bosch met zijn `extravagant variety of structural forms.' [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Samuel de Lange 29 maart 1997 León 1989
  3. NRC Henk Lagerwaard 23 april 1999 Ramsj
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be