haagbeuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

haagbeuk, Carpinus betulus
Uitspraak
Woordafbreking
  • haag·beuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haagbeuk haagbeuken
verkleinwoord haagbeukje haagbeukjes

Zelfstandig naamwoord

haagbeuk m [2]

  1. (plantkunde) Carpinus betulus op Wikispecies loofboom uit de berkenfamilie Betulaceae op Wikispecies die veel in heggen voorkomt
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen