beestje

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beest·je
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord beestje beestjes

Zelfstandig naamwoord

beestje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord beest
    • Mijn hond is altijd een braaf beestje geweest, maar nu had hij toch iemand gebeten. 
  2. dim. tant. een klein diertje, insect, bacterie, worm
    • Er zaten opeens een hele lading kleine beestjes op de voorruit. 
  3. dim. tant. (informatica), (informeel) een foutje in het programma
    • Er zitten wat beestjes in de nieuwste versie van onze software. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.