beestje

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beest·je
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord beestje beestjes

Zelfstandig naamwoord

beestje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord beest
    Mijn hond is altijd een braaf beestje geweest, maar nu had hij toch iemand gebeten.
  2. dim. tant. een klein diertje, insect, bacterie, worm
    Er zaten opeens een hele lading kleine beestjes op de voorruit.
  3. dim. tant. (informatica), (informeel) een foutje in het programma
    Er zitten wat beestjes in de nieuwste versie van onze software.