heer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- heer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | heer | heren |
| verkleinwoord | heertje | heertjes |
Zelfstandig naamwoord
heer m
- man
- Dames en heren, van harte welkom op dit galaconcert.
- deftig persoon
- belangrijk persoon
- De hoge heren hebben besloten dat er 100 mensen ontslagen moeten worden.
- welgemanierd persoon, gentleman
- heerser
- persoon in wiens dienst men staat, meester
- bezitter van een heerlijkheid
- houder van zekere adellijke titel
- aanspreektitel voor mannelijke personen
- zekere kaart in het kaartspel
- heer (onveranderlijk); leger