meester
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- mees·ter
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | meester | meesters |
| verkleinwoord | meestertje | meestertjes |
Zelfstandig naamwoord
meester m
- iemand die macht en gezag heeft
- Hij is hier heer en meester over.
- iemand die uitblinkt in een bepaalde vaardigheid, virtuoos
- Met dit schilderij toonde hij zich een waar meester.
- een onderwijzer met name op een lagere school
- Moest je schoolblijven van de meester?
- Alle kinderen waren blij dat meester Valentijn met ze op werkweek ging
- iemand die het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid heeft afgelegd
- iemand die door het maken van een proefstuk de bevoegdheid had gekregen om zelfstandig zijn ambacht uit te oefenen
- onderofficier bij de marine, één rang lager dan meester-chef en gelijk aan 1e sergeant bij de landmacht, de luchtmacht en de medische dienst
- meerdere in een sadomasochistische relatie
- (techniek) (digitale techniek) deel van een meester-slaaf element
Synoniemen
- [3] onderwijzer, docent, leraar, instructeur
Antoniemen
- [1] ondergeschikte
- [3] leerling
- [5] gezel, leerling
- [7-8] slaaf
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- hofmeesterboter, meestergraad, meesterknecht, meesterkok, meesterproef, meesterstuk, meesterteken, meesterwerk, meesterwortel
Vertalingen
1. baas, heer, patroon
4. iemand die het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid heeft afgelegd
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.