leger
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- le·ger
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | leger | legers |
| verkleinwoord | legertje | legertjes |
Zelfstandig naamwoord
leger o
- (militair) een militaire strijdmacht
- Het leger trok van Spanje naar Nederland.
- een ondiep kuiltje in het veld of onder begroeiing waar een haas, vos of hert in rust
Vertalingen
1. een militaire strijdmacht
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Bijvoeglijk naamwoord
leger
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van leeg
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| legeren |
leger
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van legeren
- Ik leger.
- gebiedende wijs van legeren
- Leger!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van legeren
- Leger je?
Verwante begrippen
- [1] legeer