baas

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • baas
enkelvoud meervoud
naamwoord baas bazen
verkleinwoord baasje baasjes

Zelfstandig naamwoord

baas m

  1. (informeel) overste, leider, chef
  2. eigenaar van een dier
    Hondenpoep dient door het baasje opgeruimd te worden.
Synoniemen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening

[1]

Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bazen

baas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bazen
    Ik baas.
  2. gebiedende wijs van bazen
    Baas!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bazen
    Baas je?