baas
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- baas
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | baas | bazen |
| verkleinwoord | baasje | baasjes |
Zelfstandig naamwoord
baas m
- (informeel) overste, leider, chef
- eigenaar van een dier
- Hondenpoep dient door het baasje opgeruimd te worden.
Synoniemen
- (formelere vorm) bestuurder
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
[1]
Vertalingen
1. overste, leider, chef