bezitter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zit·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezitter bezitters
verkleinwoord bezittertje bezittertjes

Zelfstandig naamwoord

bezitter m

  1. (juridisch) iemand die het bezit van iets heeft, maar niet noodzakelijk ook DE eigendom
    De bezitter van dit landhuis heeft er goed aan verdiend.
Hyponiemen
Vertalingen