bezitter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zit·ter
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bezitter | bezitters |
| verkleinwoord | bezittertje | bezittertjes |
Zelfstandig naamwoord
bezitter m
- (juridisch) iemand die het bezit van iets heeft, maar niet noodzakelijk ook DE eigendom
- De bezitter van dit landhuis heeft er goed aan verdiend.