titel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /titəl/
Woordafbreking
- ti·tel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | titel | titels |
| verkleinwoord | titeltje | titeltjes |
Zelfstandig naamwoord
titel m
- opschrift van een boek of ander document
- De titel van dit boek is 'Scheikunde voor de leek'.
- academische of adellijke aanduiding van een persoon
- Hem werd de titel van 'doctor' verleend.
Overerving en ontlening
- in het Indonesisch: titel
Vertalingen
1. opschrift van een document
2. aanduiding van een persoon
Indonesisch
Woordafbreking
- ti·tel
Woordherkomst en -opbouw
- uit het Nederlands "titel"
Zelfstandig naamwoord
titel
- academische titel
- titel, opschrift van een document