groot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groot
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: groot
Oudnederlands: grōt
Germaans: *grautaz
Indo-Europees: *sekʷ-
  • Verwant in Germaans:
Engels: great (Angelsaksisch: grēat), Duits: groß, (Oudhoogduits: grōz), Fries: grut (Oudfries: grāt), Nedersaksisch: groot
  • Andere Indo-Europese talen:
Latijn: grossus, Frans/Catalaans/Roemeens: gros, Spaans: grueso, Italiaans/Portugees: grosso
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groot groter grootst
verbogen grote grotere grootste
partitief groots groters -

Bijvoeglijk naamwoord

groot

  1. meer dan normaal in formaat
  2. bewonderenswaardig, goed
    Hij was een groot man.
  3. machtig, belangrijk
  4. volwassen
    Grote mensen en kinderen.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijwoord

groot

  1. in ruime mate
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    groothouden: Hij hield zich groot.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord groot groten
verkleinwoord grootje grootjes

Zelfstandig naamwoord

groot m

  1. (numismatiek) een van oorsprong Italiaanse munt die tot 1496 ook in Vlaanderen gebruikt werd

Meer informatie