groot
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- groot
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | groot | groter | grootst |
| verbogen | grote | grotere | grootste |
| partitief | groots | groters | - |
Bijvoeglijk naamwoord
groot
- meer dan normaal in formaat.
- bewonderenswaardig, goed.
- Hij was een groot man.
- machtig, belangrijk.
- volwassen
- Grote mensen en kinderen.
Antoniemen
Synoniemen
- (2, 3) groots
Vertalingen
1. meer dan normaal in formaat
2. bewonderenswaardig, goed
3. machtig, belangrijk
4. volwassen
Bijwoord
groot
- in ruime mate.
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- groothouden: Hij hield zich groot.