groot

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groot
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groot groter grootst
verbogen grote grotere grootste
partitief groots groters -

Bijvoeglijk naamwoord

groot

  1. meer dan normaal in formaat.
  2. bewonderenswaardig, goed.
    Hij was een groot man.
  3. machtig, belangrijk.
  4. volwassen
    Grote mensen en kinderen.
Antoniemen
Synoniemen
Vertalingen

Bijwoord

groot

  1. in ruime mate.
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    groothouden: Hij hield zich groot.
Antoniemen
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen