groot
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- groot
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | groot | groter | grootst |
| verbogen | grote | grotere | grootste |
| partitief | groots | groters | - |
Bijvoeglijk naamwoord
groot
- meer dan normaal in formaat
- bewonderenswaardig, goed
- Hij was een groot man.
- machtig, belangrijk
- volwassen
- Grote mensen en kinderen.
Antoniemen
Synoniemen
- (2,3) groots
Vertalingen
1. meer dan normaal in formaat
2. bewonderenswaardig, goed
3. machtig, belangrijk
4. volwassen
Bijwoord
groot
- in ruime mate
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- groothouden: Hij hield zich groot.
Antoniemen
Synoniemen
Vertalingen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | groot | groten |
| verkleinwoord | grootje | grootjes |
Zelfstandig naamwoord
groot m
- (numismatiek) een van oorsprong Italiaanse munt die tot 1496 ook in Vlaanderen gebruikt werd
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.