wijd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijd
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wijd wijder wijdst
verbogen wijde wijdere wijdste
partitief wijds wijders -

Bijvoeglijk naamwoord

wijd

  1. met een brede lip
  2. met veel ongevulde ruimte
  3. met een groot oppervlak
  4. ver
  5. heel, veelvoorkomend
    Kachels waren vroeger wijd verspreid voor de verwarming van huizen.
Antoniemen
Vertalingen
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

Werkwoord

vervoeging van
wijden

wijd

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijden
    Ik wijd.
  2. gebiedende wijs van wijden
    Wijd!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijden
    Wijd je?