begroten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·gro·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| begroten |
begrootte |
begroot |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
begroten
- de grootte (bedrag, aantal) van iets met een calculatie inschatten
- De baten zijn vooraf moeilijk te begroten.
- De afzet voor het komende jaar is begroot op 120.000 stuks.