ruim

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

enkelvoud meervoud
naamwoord ruim ruimen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ruim o
  1. laadruimte van een schip
    er ontstond brand in het ruim.

Lettergrepen
ruim

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ruim ruimer ruimst
verbogen ruime ruimere ruimste


ruim
  1. van grote omvang of uitgestrektheid
    je hebt een ruimere broek nodig


Bijwoord

ruim
  1. meer dan ongeveer
    dat is ruim een pond kaas

Werkwoord

ruim
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd en gebiedende wijs van ruimen
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen