ruim
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ruim
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | ruim | ruimer | ruimst |
| verbogen | ruime | ruimere | ruimste |
Bijvoeglijk naamwoord
ruim
- van grote omvang of uitgestrektheid
- Je hebt een ruimere broek nodig.
Vertalingen
1. van grote omvang of uitgestrektheid
Bijwoord
ruim
- meer dan ongeveer
- Dat is ruim een pond kaas.
Uitdrukkingen en gezegden
- ruim veertig
Vertalingen
ruim veertig
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| ruimen |
ruim
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruimen
- Ik ruim.
- gebiedende wijs van ruimen
- Ruim!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruimen
- Ruim je?
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ruim | ruimen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
ruim o
- (scheepvaart) de laadruimte van een schip
- Er ontstond brand in het ruim.