grootouder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- groot·ou·der
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | grootouder | grootouders |
| verkleinwoord | grootoudertje | grootoudertjes |
Zelfstandig naamwoord
grootouder m
- (familie) de ouder van een ouder
- Na school ging de jongen altijd bij zijn grootouders langs.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. de ouder van een ouder
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.