grootbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groot·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grootbrengen
bracht groot
grootgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

grootbrengen

  1. (overgankelijk) het ouderschap over opgroeiende kinderen uitoefenen
    Een gezin met zes kinderen groot te brengen is geen eenvoudige zaak.
Vertalingen