grootbrengen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- groot·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| grootbrengen |
bracht groot |
grootgebracht |
| zwak -cht | volledig | |
Werkwoord
grootbrengen
- (overgankelijk) het ouderschap over opgroeiende kinderen uitoefenen
- Een gezin met zes kinderen groot te brengen is geen eenvoudige zaak.