kleine

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·ne

Bijvoeglijk naamwoord

kleine

  1. verbogen vorm van de stellende trap van klein
enkelvoud meervoud
naamwoord kleine kleinen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

  1. een klein persoon
    Die kleine kon er niet goed bij, maar hij kreeg hulp van zijn maatje.
  2. een kind, kleuter
    Moet die kleine nog niet naar bed?