eis
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- eis
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelnederlandse eisc, Middelnederduitse eisch
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eis | eisen |
| verkleinwoord | eisje | eisjes |
Zelfstandig naamwoord
eis m
- een dwingende vraag
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- eisen stellen aan iemand
Vertalingen
1. een dwingende vraag
eisen stellen aan iemand
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| eisen |
eis
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eisen
- Ik eis.
- gebiedende wijs van eisen
- Eis!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eisen
- Eis je?
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eis | eise |
Zelfstandig naamwoord
eis
Gotisch
Persoonlijk voornaamwoord
eis
- zij (nominatief mannelijk meervoud van de derde persoon)