leg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- leg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | leg | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
leg m
- het leggen van eieren
- Deze kip is niet aan de leg.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| leggen |
leg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leggen
- Ik leg.
- gebiedende wijs van leggen
- Leg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leggen
- Leg je?
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| leg | legs |
Woordafbreking
- leg
Zelfstandig naamwoord
leg