bein

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bein

Inhoud

Faeröers

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bein o

  1. (anatomie) bot


IJslands

Uitspraak
  • IPA: /ˈb̥eiːn/

Zelfstandig naamwoord

bein o

  1. (anatomie) bot


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bein o (of m in enkele oude uitdrukkingen)

  1. (Hooglimburgs) been
  2. (Hooglimburgs) arm (van een machine etc.)
  3. (Hooglimburgs) bot
Verbuiging
Opmerkingen
  • Oorspronkelijk was dit woord mannelijk bij de betekenis van been. De overgang naar onzijdig is een recentelijke ontwikkeling en veel ouderen spreken dus nog van de bein in plaats van 't bein.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bein
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstigg van het Oudnoorse woord bein.

Zelfstandig naamwoord

bein o

  1. (anatomie) been, poot
  2. (anatomie) bot, graat
    «Han er bare skinn og bein. (radmager)»
    Hij is alleen huid en botten. (graatmager)
  3. kluif
  4. een beenachtig deel van een voorwerp.
  5. (figuurlijk) standbeen
Verbuiging
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: stå på ett bein
op één been staan
  • [1]: brekke beinet
het been breken
  • [1]: Der vil jeg ikke sette mine bein mer.
Daarheen wil ik mijn benen niet meer zetten.
  • [1]: stå opp med det gale beinet først
met het verkeerde been uit bed stappen
  • [1]: stå med det ene beinet i graven
met een been in het graf staan
  • [1]: stå med ett bein i hver leir
voor beide partijen sympathie hebben
  • [1]: få et bein innenfor
een been ertussen zetten (zich toegang verschaffen)
  • [1]: Pengene fikk bein å gå på.
Geld had benen om op te lopen (het geld verdween snel).
  • [1]: Foretaket har flere bein å stå på.
Het plan heeft merdere benen om op te staan.
  • [1]: stå på egne bein
financieel onafhankelijk zijn
  • [1]: Hele huset var på beina klokka seks.
Het hele huis stond op zes op zijn voeten (was volop bezig).
  • [1]: være på beina igjen
weer op de benen zijn
  • [1]: stå med begge beina på jorda
met beide benen op de grond staan
  • [1]: ha begge beina på jorda
met beide benen op de grond staan
  • [1]: stille noe på beina
op gang brengen
  • [1]: stable noe på beina
op gang brengen
  • [1]: Oppdagelsen slo beina vekk under alle tidligere teorier.
*Deze ontdekking sloeg de benen onder alle eerdere theorieën weg.
  • [2]: beina i hodet
benen in het hoofd
  • [2]: Skriket gikk gjennom marg og bein.
De schrik ging door merg en been.
  • [2]: ha bein i nesen
een sterke wil hebben
  • [3]: kaste et bein til hunden
gooi een been aan de hond
  • [5]: skaffe seg et bein
een winstgevende baan verkrijgen
  • [5]: Det var mange om beinet.
Er was een harde concurrentie.


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bein
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstigg van het Oudnoorse woord bein.

Zelfstandig naamwoord

bein o

  1. (anatomie) been, poot
  2. (anatomie) bot, graat
  3. kluif
  4. een beenachtig deel van een voorwerp.
  5. (figuurlijk) standbeen
Verbuiging
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • [1]: Ein hest kan snåve på fire bein, og ein mann på eit ord.
Een paard kan struikelen over vier poten en een man over een woord.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen