beenhouwer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- been·hou·wer
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beenhouwer | beenhouwers |
| verkleinwoord | beenhouwertje | beenhouwertjes |
Zelfstandig naamwoord
beenhouwer m
- een verkoper van vlees
- Hij is naar de beenhouwer voor gehakt.
- een slachter
- De beenhouwer was de koe aan het slachten.