alt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Alt

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

alt

  1. m (muziek) lage vrouwenstem
  2. m (muziekinstrument) (afkorting) altinstrument, vaak de altviool
    De bezetting bestaat uit 7 eerste violen, 7 tweede violen, 3 alten, 4 celli en 2 contrabassen.
  3. m (muziek) persoon in een orkest die een altinstrument bespeelt
  4. v (muziek) vrouw die een altstem bezit
Vertalingen


Catalaans

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. hoog


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • alt
stellend vergrotend overtreffend
alt
/alt/
älter
/ˈɛltɐ/
am ältesten
/am ˈɛltəstn̩/
alle verbuigingsvormen
Woordherkomst en -opbouw
  • Betuigd in het Middelhoogduitse en het Oudhoogduitse woord alt, dat weer van de Westgermaanse vorm *alda- komt; dit Westgermaans is vermoedelijk een to-participium van de Germaanse woordvorm *al-a- „groeien, voeden“, dat zijnerzijds van het Indo-Europees *al- „voeden“ stamt; etymologische verwantschap met het Gotisch alþeis, het Oudengels eald en het moderne Engels old, het Oudfrans ald, het Nederlands oud.

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. oud (van hoge leeftijd).
    «Es gibt alte Menschen, Tiere und Pflanzen.»
    Er zijn oude mensen, dieren en planten.
    «Mit Mitte 30 fühlte sie sich schon alt
    Rond haar 30e voelde zij zich al oud.
  2. oud (een bepaald leeftijd hebbend).
    «Unser Baby ist sieben Wochen alt
    Onze baby is al zeven weken oud.
  3. oud (een bepaalde tijd voorhanden, van gebruik zijnd).
    «Sein Auto ist erst drei Jehre alt
    Zijn auto is pas drie jaar oud.
    «Das Spiel war keine zwei Minuten alt, als das erste Tor fiel.»
    Het spel was nog geen twee minuten begonnen toen de eerste toren geslagen werd.
  4. oud (niet meer nieuw, al lange tijd bestaand, versleten).
    «Man riss die alte Bauruine ab.»
    Men brak het oude, niet afgemaakte gebouw af.
    «Sie handelt mit alten Büchern.»
    Zij werkt met oude boeken.
  5. oud (sinds een lange tijd voorhanden, bestaand; al lange tijd geproduceerd).
    «Der Fisch schmeckt alt
    De vis smaakt oud.
  6. oud (van het vorig jaar).
    «Das alte Jahr geht zu Ende.»
    Het oude jaar eindigt bijna.
    «Die alten Kartoffeln sind nun aufgebraucht.»
    De oude aardappels zijn nu opgebruikt.
  7. oud (sinds een lange tijd voorhanden, bestaand; voor al lange tijd opgekomen, opgericht en dus beproefd).
    «Bei der historischen Restaurierung des Gebäudes griff man auf alten Erfahrungen und Traditionen zurück.»
    Bij de historische restauratie van het gebouw greep men op oude ervaringen en tradities terug.
  8. oud (langjarig, veeljarig).
    «Wir sind alte Freunde.»
    Wij zijn oude vrienden.
    «Er ist ein altes und geschätztes Mitglied unseres Vereins.»
    Hij is een oud en gewaardeerd lid van onze vereniging.
  9. oud (allang bekend en dus verouderd, saai).
    «Über diese alten Witze kann ich schon lange nicht mehr lachen.»
    Om deze oude grap kan ik al lang niet meer lachen.
  10. oud (uit een vroegere tijd of voormalige tijdperk stammend; een afgelopen tijd betreffend).
    «Als Kind wurden ihr alte deutsche Sagen vorgelesen.»
    Als kind werden haar oude Duitse sagen voorgelezen.
  11. oud (antiek, klassiek).
    «Er ließt viel über die alten Griechen und Römer.»
    Hij leest veel over de oude Grieken en Romeinen.
    «Sie studiert alte Sprachen.»
    Zij studeert oude talen.
  12. oud (door verouderen kostbaar, waardevol geworden).
    «Man sollte sehr behutsam mit altem Porzellan umgehen.»
    Men moet zeer voorzichtig omgaang met het oude porselein.
    «Zur Feier des Tages öffnete er eine Flasche alten Weins.»
    Om de dag te vieren, opende hij een fles oude wijn.
  13. oud (onveranderd, [van vroeger] bekend, vertrouwd, gewoon [en dus lief gekregen, geschat]).
    «Alles geht seinen alten Gang.»
    Alles gaat weer zijn oude gangetje.
  14. oud (vorig, voormalig, vroeger).
    «Er traf sich nach vielen Jahren wieder mit alten Bekannten.»
    Er sprak na vele jaren weer af met oude bekenden.
  15. (spreektaal) een vertrouwelijke aanspreekvorm.
    «Na, alter Junge, alles klar bei dir?»
    Nou, oude gozer, hoe gaat 'ie?
  16. (spreektaal), (pejoratief) bij negatief gekarakteriseerende personenbenamingen en vloekwoorden.
    «Du alter Geizkragen!»
    Jij oude gierigaard!
    «Altes Schwein!»
    Oud varken!
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Spreekwoorden
  • Man ist so alt, wie man sich fühlt.
Men is zo oud als men zich voelt.
  • Aus Alt mach Neu.
Uit oud maakt men nieuw.
Oude vriend.
Uitdrukkingen en gezegden
het niet lang meer uithouden
het nakijken hebben
  • Alt und Jung
Oude en jonge mensen
  • alter Wein in neuen Schläuchen
oude wijn in nieuwe zakken


Noors

Woordafbreking
  • alt
Naar frequentie 69

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van all


Nynorsk

Woordafbreking
  • alt

Bijvoeglijk naamwoord

alt

  1. onbepaalde vorm onzijdig enkelvoud van de stellende trap van all


Turks

Zelfstandig naamwoord

alt

  1. onderkant
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen