zege

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘overwinning’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zege zeges
verkleinwoord zegetje zegetjes

Zelfstandig naamwoord

zege v/m

  1. overwinning, victorie
    • De thuisclub behaalde een belangrijke zege. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

zege

  1. verbogen vorm van de stellende trap van zeeg

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen