eindzege

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eind·ze·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eindzege eindzeges
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

eindzege v/m

  1. overwinning op het einde van een toernooi of serie wedstrijden
    • De 31-jarige schaatsster uit Brabant gaat op jacht naar haar zevende eindzege bij dit toernooi. "Ik ben fysiek wel een beetje op na de Winterspelen, maar dat geldt voor de meeste deelneemsters, denk ik," liet de titelverdedigster in haar vooruitblik weten. [1] 
    • Een van de renners in vorm is Jelle Wolsink van de formatie VolkerWessels-Merckx. De Hengeloër won afgelopen zondag nog de Acht van Noordenveld en was de dag ervoor ook al de snelste met zijn team in de ploegentijdrit. Samen met zijn tweede plaats in het critrium in Roden leverde Wolsink dat de eindzege op van het Wielerweekende in Roden. Eerder al had Wolsink de Nacht van Hengelo op zijn naam geschreven en een week later ook de Parel van de Veluwe. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen