ritzege

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rit·ze·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ritzege ritzeges
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ritzege v/m

  1. (wielrennen) het winnen van een etappe van een wielerwedstrijd
    • Op de laatste klim sloegen de Colombiaanse klimmers toe. López, die als nummer 3 in het klassement aan de rit begon, mocht uiteindelijk juichen met eindwinst, terwijl de ritzege voor Nairo Quintana (Movistar Team) was. [1] 
    • De tweede ritzege van de Kazak was de zevende overwinning voor Astana binnen vier dagen. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen